| DOSSIER ALMERE - EEN
TIJDSDOCUMENT BRON: VRIJ NEDERLAND 21-10-2000 NUMMER 42 |
| De zwarte zijde van het walhalla POLITIE DOOR ELMA DRAYER Een rustige gemeente in het groen, dat is Almere niet meer. Met de groei van de bevolking zijn ook de problemen toege nomen. Berovingen, verkrachtingen, vechtpartijen - politie agenten sommen moeiteloos de statistieken op. 'Dit is gewoon een grote stad geworden.' Met te veel proble men voor te weinig dienders.
Vrijdagavond. Surveillancewagen 5020 heeft net een dagvaarding proberen uit te reiken in Almere Filmwijk. Tevergeefs: de deur blijft gesloten.'Bent u weer inzetbaar?' klinkt het over de mobilofoon. 'Reken maar,' zegt politieman Willem de Vroome. 'Wilt u dan even bellen voor een melding?' De Vroome draait het nummer van de centrale. 'Een bloederige melding? We hebben net gegeten, hè.' De wagen gaat op weg naar Almere-Haven. 'Er schijnt een hele plas bloed voor de deur te liggen,' zegt De Vroome tegen zijn collega Mo Emekli. 'Is het soms slachtfeest ofzo?' 'Nee,' zegt Emekli. 'Binnenkort is het wel ramadan. Maar daar doe ik niet aan mee, hoor.' De wagen rijdt ettelijke rondjes door de wijk, op zoek naar het adres. 'Het is niet logisch,' zucht Emekli, 'hier in Haven.' Ze parkeren voor een portiekflat. Als de agenten met een zaklantaarn de tochtige trap oplopen, zien ze de donkere vlekken. 'Dit is geen bloed, hoor,' mompelt Emekli. Hij trekt een latex handschoen aan, trekt een vinger door de plas, ruikt eraan. De agenten bellen aan bij het opgegeven adres. Een vrouw op kousenvoeten, bril, slordig opgestoken grijs haar, doet open. 'Het is geen bloed,' zegt Emekli, 'maar olie.' De vrouw laat zich niet geruststellen. 'Ik heb angst,' zegt ze op hoge toon. 'Ik woon hier al dertien jaar. Alles heb ik voorbij zien komen. Klopperijen, een moordpartij, vernielingen. Ik weet niet eens wie er boven me woont. Als ik de politie niet bel, doet niemand het.' Er is een Almere van lieflijke parken, handige busbanen, ruim opgezette straten, prettige winkels, en innig tevreden burgers die nooit meer weg zouden willen. Op stap met de politie betekent een blik op die andere werkelijkheid: de duistere achterkant van een onstuimig groeiende polderstad. Tot voor kort was het relatief kalm in Almere. Natuurlijk, hier werd wat vernield, daar wat ingebroken, maar de criminaliteitscijfers waren van kleinsteedse allure. Sinds een paar jaar is het gedaan met de rust: de grafieken maken een knik omhoog. Almere, nu honderdvijftigduizend inwoners, is inmiddels een serieuze stad met alle heftigheid van dien. Vernielzuchtige jongeren, drugsoverlast, straatroof - niets blijft de nette burger bespaard. Vooral de 'geweldsmisdrijven' stijgen gestaag. Alleen al in januari en februari werden tachtig mensen op straat beroofd; in bijvoorbeeld Enschede, stad van gelijke omvang, zijn er zo'n tachtig berovingen in een heel jaar. 'Maar als je ziet wat de personele bezetting hier is,' zegt een Almeerse politieman, 'dan vind ik het nog knap dat de cijfers niet hoger zijn.' Zaterdagmiddag, tegen drieën. Vanochtend zijn er al twintig aangiften gedaan, en nog zit de glazen hal van het districtsbureau aan de Baljuwstraat vol met wachtende klanten. In de groepsruimte van de 'assistentiedienst' zijn de plastic bekertjes met koffie gevuld, de televisie gaat uit. Inspecteur John Kamst, dienstdoend groepschef, houdt 'briefing' voor de late dienst. 'We zullen even,' zegt hij, 'de hoogtepunten van de afgelopen vierentwintig uur doornemen.' De oogst is rijk. Eén vechtpartij bij een tankstation. Eén poging tot beroving op het beruchte Spoorbaanpad. Eén zware mishandeling door een 'ex-diender uit Amsterdam die de weg kwijt is'. Eén wildplassende vrouw die zo kwaad werd om het proces-verbaal dat ze de politieman een pijnlijke knie en een opengekrabde nek bezorgde. Eén echtelijke twist, waarbij de sussende agent werd uitgemaakt voor 'vuile zwarte'. Eén inbraak op een industrieterrein. Eén in beslag genomen vuurwapen. En één gelukte straatroof: oudere vrouw stapte uit taxi, liep naar haar voordeur, kreeg een klap op het hoofd en raakte haar handtas kwijt. 'Poeh,' zegt een hoofdagente, 'denk je veilig naar huis te gaan met de taxi.' 'Het lijkt wel,' zegt een andere hoofd agent, 'of het ieder weekend toeneemt. Het geweld van de burgers onderling. En het geweld tegen de politie.' De politiemensen gooien de lege bekertjes weg en verdwijnen twee aan twee naar buiten. 'En pas op,' zegt de groepschef, 'met onze auto's.' Almere dijt almaar verder uit, de criminaliteit ook. Raadselachtig genoeg is het politiekorps, handhaver van wet en openbare orde, nauwelijks meegegroeid. De Almeerse politie sleept zich al jaren zuchtend achter de feiten aan. Ter vergelijking: in Amsterdam ('Daar zijn ze hartstikke verwend') is er één politiefunctionaris op vierhonderdvijftig inwoners, in Almere één op de zevenhonderd. En hoewel een kleuter kan uitrekenen hoeveel mensen er op pakweg 1 januari 2003 in Almere wonen, weet de politie nu al dat er dan nog niet genoeg blauw op straat zal zijn - alle 'wervingsinspanningen' en ruimhartige toezeggingen van het ministerie ten spijt. Voor de chefs is het elke dag weer 'puzzelen' om de 'assistentiedienst' vol te krijgen. Hoevéél politiewagens daadwerkelijk rondrijden wil de leiding, om begrijpelijke redenen, niet aan de grote klok hangen. Maar het is, laten we zeggen, minimaal - zeker voor zo'n uitgestrekte gemeente als Almere. Voor de politiemensen zelf is de krapte niet zonder risico. Neem de noodroep 'assistentie collega': politieman in het nauw wil hulp. 'In Amsterdam,' zegt een Almeerse politieman, 'staan er binnen vijf minuten twintig, dertig dienders om je heen. Hier in Almere rijden er sowieso veel minder rond. En dan heb je nog geluk als die in de buurt zijn.' (Het is - vermoedelijk - een van de redenen waarom de Almeerse politie als nogal hardhandig bekendstaat, en relatief veel klachten aan de broek krijgt: wie weet dat er in een mum van tijd twintig collega's aankomen, grijpt minder snel naar de lat. Dat de gemiddelde leeftijd van het korps laag is, speelt daarin ook een rol: ervaren politiemensen durven doorgaans eerder te vertrouwen op hun verbale vaardigheden.) Aan een normale afhandeling van zaken komt de Almeerse politie, tot haar eigen niet-geringe frustratie, nauwelijks toe. Ze moet, zoals dat heet, 'prioriteiten stellen'. Aangiften van inbraken waarbij de daders onbekend zijn gaan rechtstreeks 'de administratie in' - politietaal voor: daar kijkt geen mens meer naar. Aan fraudezaken wordt sowieso al jaren niks gedaan ('Dat zeggen we er meteen bij als mensen aangifte doen'). Maar ook ernstiger delicten liggen gauw zes maanden op de plank - waarna ze niet zelden alsnog worden geseponeerd. 'Er zijn weken,' zegt een hoofdinspecteur die net rechercheur af is, 'dat je moet kiezen tussen twee verkrachtingen en twee overvallen met geweld. Gevallen waarvan je voelt: dit kán eigenlijk niet.' Hoe krap de 'bemensing' ook is, in de praktijk van alledag zet de Almeerse politie tamelijk opgewekt de schouders eronder. 'Ach,' zegt groepschef John Kamst, 'dienders klagen altijd. Het heeft ook wel zijn charmes: een beetje politieman houdt van hectiek, van rennen en vliegen.' Voor Remco van der Made en Ton Bennemeer staat er op het parkeerterrein alleen nog een gewone burgerauto om in te surveilleren; de echte politiewagens zijn of bezet, of in de prak gereden. 'Gaat u mee met de sectie stiekem?' Ze klikken hun gordels vast, laten het hoge hek openschuiven, draaien de Baljuwstraat op en melden de centrale dat ze beschikbaar zijn. Even later rijden ze ontspannen over de beroemde Almeerse busbaan - sinds een reeks overvallen op buschauffeurs ook voor de politie toegankelijk. De donkerblauwe auto koerst naar de Seizoenenwijk in Almere-Buiten. 'Het ziet er ook niet uit, hier,' zegt Ton Bennemeer. Hij wijst naar het openbare groen dat er verwaarloosd bijligt. 'Dat stimuleert de mensen toch ook niet om er wat van te maken.' Op een ruim bemeten grasveld zitten vier, vijf jongeren in een lieflijk prieeltje - een onofficiële 'hangplek', zoals er in Almere zoveel zijn. En, weet de politie, een doorn in het oog van de burgers. Zodra de donkerblauwe wagen aan komt rijden, stuift een scootertje weg. De auto geeft gas en gaat erachter aan, over smalle fietspaden en dwars over het grasveld. Tevergeefs: de scooter verdwijnt spoorloos uit zicht. De politiemannen halen de schouders op. 'Die heeft zijn vriendjes allang gebeld.' Laatst, vertelt Remco van der Made, was er een informatieavond voor buurtbewoners die klaagden over rondhangende jeugd. 'Er moest een echte hangplek komen, vonden ze. Waar dan, vroegen wij. Nou, die mocht overal komen, als het niet maar niet voor hún deur was.' De telefoon gaat, het politieduo moet binnenkomen: de receptie kan de aangiften niet meer aan. Hoofdinspecteur Jan Ronda, chef van de basiseenheid Almere Stad-West, werkt sinds 1995 bij het district. 'Ik heb gezien,' zegt hij, 'dat de ernst van de feiten toenam. Een enorme verharding. Er is ergens in de afgelopen jaren een omslagpunt geweest. Je kunt niet ongebreideld huizen uit de grond stampen en daar zomaar allerlei mensen instoppen. Wij hebben een enorme instroom van potentiële criminelen vanuit de Bijlmer gehad. En er is het waterbedeffect. Als Amsterdam drukt, hebben wij er last van. Amsterdam pakt de beroving van scootertjes aan. Wij merken dat meteen. Komen die jongens hier een scootertje jatten.' Maar echt onveilig is Almere niet, vindt hij. 'Tenminste niet als ik het vanuit mijn werk bekijk. Dit is gewoon een grote stad geworden. Het ligt er erg aan waar je woont in Almere. Ik kan me best voorstellen dat zes, zeven overvallen achter elkaar in Haven, mensen geen gevoel van veiligheid geeft. En als ik nog kleine kinderen had, zou ik ze ook niet alleen over het Spoorbaanpad laten gaan.' De stad groeit misschien wel te snel, zegt hij. 'Het is een probleem van alle nieuwe steden, denk ik. De inwoners hébben nog niks met hun stad. Er is minder saamhorigheidsgevoel dan in een oudere gemeente. Mensen wonen hier, werken elders. En 's avonds zitten ze achter de televisie of de computer. Het is ook de tijd waarin we leven. Iedereen is druk en op zichzelf. Ook in Almere gebeurt het dat mensen dagenlang dood in hun woning liggen zonder dat iemand ze mist.' 'U komt aangifte doen van een bedreiging?' Een kleine vrouw en een brede, blonde man lopen achter hoofdagent Remco van der Made aan naar een schaars gemeubileerd kamertje. 'O gelukkig,' zegt de vrouw en wijst op een etensbord met peuken. 'Je mag hier roken. Wij hebben al uren in die hal gezeten.' 'Nee,' zegt de hoofdagent, en kiepert het bord in de prullenmand. 'Dat mag niet.' Hij knipt de computer aan. 'Ben ik net over die problemen met m'n familie heen,' zegt de vrouw, 'krijg je deze malloot. Ik doe dus uit principe nooit de deur open. En de telefoon neem ik ook niet op.' Aan het eind van de ochtend kreeg het echtpaar ongewenst bezoek van een handelaar van de Beverwijkse Zwarte Markt die hen al tijden 'lastig valt'. Hij beweert dat zij hem zevenhonderd gulden schuldig zijn. Het echtpaar beweert dat het geld zeven maanden geleden is overgemaakt. Alleen zijn ze 'het re‡uutje' kwijtgeraakt. De handelaar stond te schreeuwen op straat. Daarna ging hij bij de buren langs, met wie het echtpaar toch al in grote onmin leeft. En hij deed een handgeschreven briefje door de deur. 'Kijk,' zegt de vrouw, 'hij schrijft dat hij terugkomt.' Ze wijst naar haar man. 'En ik ken hem een beetje. Hij slaat meteen.' 'Zij,' zegt de man en knikt naar zijn vrouw, 'zij houdt me nu tegen. Maar ik laat me niet intimideren door een meneer die op de markt staat en denkt dat ie Jezus is. Staat ie straks voor de deur, is ie dood.' 'Nou,' zegt de politieman. 'Dan kunt u beter ons bellen.' 'Heb ik weleens gedaan,' zegt de vrouw. 'Jullie zijn nooit geweest.' 'En een andere keer duurde het drie kwartier,' zegt de man. 'Ik maak hier een mutatie van in het dag rapport,' zegt Van der Made. 'En een extra aandachtsvestiging.' Het echtpaar knikt gelaten. 'Maar eerst ga ik die handelaar bellen om zijn verhaal te horen.' Twintig minuten later legt de hoofd agent de telefoon neer. 'Dit weekend komt ie echt niet meer,' zegt hij. 'Hij weet nu dat wij ertussen zitten.' Het echtpaar moet beloven bij het postkantoor te informeren naar de storting. 'Het kan best zijn,' zegt Van der Made, 'dat jullie het verkeerde rekeningnummer gebruikten. Dus dan ligt dat geld al zeven maanden op het postkantoor.' 'Wat denkt u,' zegt de man, 'krijgen we daar dan rente van?' Opgelucht ('mijn nicotinepeil is helemaal gezakt') verlaat het echtpaar het kamertje. 'Typisch Almere,' zegt de hoofdagent. 'Ruzie met de buren, geen vrienden, boos op de politie. En iedereen heeft het gedaan, behalve zijzelf.' Criminaliteitscijfers zeggen weinig, vindt districtschef Jan Aandewiel, de net benoemde hoogste baas van Almere. Persoonlijk ziet hij ze liever als 'indicatoren'. Natuurlijk, Enschede scoort beter. 'En in Maastricht is het helemáál een oase van rust. Maar vergeleken bij Nijmegen is wat in Almere gebeurt peanuts. Cijfers zijn leuk. Maar je moet rekening houden met de sociale structuur, met de allochtonen, met de enorme hoeveelheid jongeren hier. Almere is eigenlijk onvergelijkbaar met welke stad dan ook.' Bij de gemeente, zegt Aandewiel, zijn ze sinds de stichting in 1976 maar met één ding bezig geweest: bouwen, bouwen, bouwen. 'En ze maken hun grootse plannen nog waar ook. Onlangs zijn ze tot het inzicht gekomen dat je een stad ook moet behéren. Wij als politie worden als eerste met ellende geconfronteerd. Wij proberen de rol van katalysator te spelen: gemeente, doe iets. Let op de sociale veiligheid.' De 'cohesie' is niet erg groot in Almere, vindt Aandewiel. 'Ik begreep dat het plaatselijke dagblad heel weinig lezers heeft. Dat zegt wel iets over de betrokkenheid van de Almeriaan bij zijn omgeving. Dat kan ook haast niet anders. Je woont hier niet in een buurt, je woont in een huis. En voor er iets kan ontstaan in de buurt, zijn mensen alweer vertrokken naar een beter huis.' De politiechef ergert zich aan de 'lage tolerantie' van de burgers. 'Als er op het evenemententerrein een muziekfestival is, regent het bij ons klachten. Mensen die vanuit slechte sociale omstandigheden naar Almere verhuizen, denken hier het walhalla te vinden. Hun verwachtingen zijn hooggespannen. Maar ook hier wordt ingebroken, ook hier zijn vervelende buren. Als er in de straat problemen zijn, leggen ze die bij ons. Komen ze klagen: mijn buurman maakt harde muziek. Vragen wij: heeft u met hem gepraat? Nee, naar die man ga ik niet toe. Wij willen graag dat mensen zich verantwoordelijk gaan voelen voor hun eigen buurt. Dat ze bij vernielingen denken: ze komen aan onze spullen.' Er gloort hoop. De Almeerse politie heeft zich onlangs bekeerd tot het 'wijkgerichte werken', zoals de korpsen in andere grote steden al jaren doen. Decentraliseren, is de gedachte, en 'dichter bij de burgers' staan. Overal in Almere verrijzen wijkbureaus met vaste wijkteams. 'Het gaat nu om het aanpakken van de onveiligheid,' zegt de districtschef, 'en de gevoelens van onveiligheid. Natuurlijk, als de burger op de knop drukt, komen we. Maar de tijd dat we als gekken renden om zo snel mogelijk ter plaatse te zijn is voorbij. Ruzie met de buren? Heel vervelend, u zult toch even moeten wachten. Idealiter zijn straks alle politiemensen druk bezig in de wijken. En worden ze onplezierig onderbroken door een melding.' Maandagochtend. Brigadier Ben van Berkum, wijkagent van Almere-Buiten, wandelt het wijkbureautje op het Noord einde binnen. De politie is gehuisvest in een onopvallend hoekje van het winkelcentrum, samen met de ambtenaren van Wijkbeheer. 'Vaak zie je mensen buiten op het plein zoeken en zoeken,' zegt Van Berkum. 'We hebben al een paar keer gevraagd om een groter uithangbord. Schijnt niet te kunnen.' Het wijkbureau staat vlak bij het NS-station Almere-Buiten, favoriete verzamelplaats onder Antillianen. Diezelfde maandag zal het Almeerse korps 's avonds op zijn kop staan vanwege een Antilliaanse schietpartij met drie gewonden. Maar nu heerst op het Noordeinde nog de rust van een fraaie, heldere herfstdag. Van Berkum begroet zijn collega's, schenkt koffie in en is 'even een luisterend oor' voor een jonge vrouw die aan wanen lijdt. 'Ze houden me vierentwintig uur per dag in de gaten,' zegt ze gejaagd. 'Ben je nu al bezig met een andere woning?' vraagt de wijkagent. Hij stapt in zijn surveillancewagen en rijdt naar een grote scholengemeenschap. 'Ik kom er elke week,' zegt hij. 'Diefstal, wiet roken, het wordt niet getolereerd daar.' Vanochtend heeft de school geklaagd over een 'dealertje' in een dure auto dat net buiten het plein rondhangt. En drie dagen geleden is een leerling in de buurt van de school bedreigd met een vuurwapen. Uit de persoonsbeschrijving begrijpt de wijkagent meteen wie hij moet verdenken. 'Mocht je hem weer zien staan,' zegt hij tegen de leerling, 'vraag dan de conciërge om met mij contact op te nemen.' Op de terugweg wipt de wijkagent langs bij een oudere man die vanochtend het bureau heeft gebeld. 'Ik wil niet dat er een proces van komt,' zegt de man met roodbehuilde ogen. 'Maar jullie moeten het wel weten.' Zijn gokverslaafde stiefzoon heeft hem zaterdag in elkaar geslagen. Geduldig hoort Van Berkum het lange, treurige verhaal aan. En belooft er een 'aantekening' van te maken in het dagrapport. 'Ach,' zegt hij, weer achter het stuur. 'Een halfuur tegen de wijkagent aanpraten, en het is weer even goed.' Aan het eind van de middag zet Van Berkum zijn politiepet op ('anders val ik niet genoeg op') en wandelt op zijn gemak door het winkelcentrum. Als een hedendaagse Bromsnor steekt hij hier een hand op, deelt daar een vermaning uit. 'Hé, jij daar, stap eens even van die fiets af.' Hij feliciteert een jarige sigarenwinkelier. Hoort het verhaal aan van een bange middenstander. Begroet een dealertje dat scharrelt tussen de fietsenrekken. Berispt twee meisjes die zojuist zijn betrapt op het stelen van kauwgum bij het Kruidvat. En loopt even de Blokker binnen. 'Je komt net te laat,' zegt de verkoopster die op haar hurken geinige mokken aan het uitpakken is. 'Hij is net weer weg.' 'Moet je horen,' zegt haar collega, 'als ik ze zie jatten, ik ga er niet meer achteraan. Veel te vaak lege verpakkingen gezien bij de messen.' Van Berkum wandelt door het herfstzonnetje terug naar het wijkbureau. Het maakt weleens moedeloos, zegt hij. 'Ik weet precies wie de crimineeltjes zijn. Ik ken ze allemaal. Laatst was er een gedagvaard. Maar die werd de straat opgestuurd tot zijn zaak voorkwam. Pleegt zo'n jongen in korte tijd zes nieuwe delicten.' En nee, zegt hij, dat is de slachtoffers nauwelijks uit te leggen. Sinds een jaar of twee breekt het korps van Almere zich het hoofd over het 'Antillianenvraagstuk'. Officieel staan er zo'n tweeduizend in de gemeente ingeschreven, waarschijnlijk wonen er twee keer zoveel. Ze komen vooral uit de (afgebroken) flats van Amsterdam-Zuidoost, 'en namen hun problemen mee'. In Almere zijn ze verspreid gehuisvest, vooral in Haven en in 'bepaalde straten' van Buiten. Zo'n straat begint met blokjes koopwoningen, om verderop te eindigen in blokjes sociale woningbouw. 'Dat is ons geluk,' zegt districtschef Jan Aandewiel. 'Daardoor zijn hier geen echte no-go areas zoals in Dordrecht en Den Helder.' Niettemin zorgen de Antillianen volgens de politie voor 'veel overlast'. De basiseenheid Almere-Buiten houdt een top-tien bij van hun 'klanten': de meerderheid is van Antilliaanse afkomst. En ook bij het Straatroofteam, opgericht om de statistieken omlaag te krijgen, staat menig 'extreem gewelddadige' Antilliaan hoog op de lijst. Het is, zeggen de politiemensen, een kleine, maar harde kern die ze handen vol werk bezorgt. Daaromheen zweeft een grote groep die ook dreigt af te glijden. Ze spreken slecht Nederlands, hebben geen opleiding, laat staan een baan. En ze zijn 'vol bewondering voor de man in de vette auto die het heeft gemaakt'. De Almeerse politie probeert vertwijfeld vat te krijgen op wat ze 'de Antilliaanse cultuur' noemen. Chef basiseenheid Jan Ronda: 'Als je daar wat vanaf weet, kun je best zaken met Antillianen doen.' Hij geeft voorbeelden. 'Als ze tegen je praten klinkt het in onze oren alsof ze schreeuwen. Zo bedoelen ze dat niet. Dat komt alleen maar doordat ze het Papiaments letterlijk vertalen en dat is een nogal gebiedende taal. Individueel zijn Antillianen heel anders dan in een groep. Maar ze zullen nooit openlijk vriendjes met ons worden. Het geeft juist status als je de politie te pakken neemt.' Gedreven: 'Wij moeten er nu voor zorgen dat we die cultuur van de Antillianen tussen de oren van de dienders krijgen.' Tot ergernis van de politie heeft de gemeente de Antillianen lange tijd niet als 'aparte categorie' willen zien. Ze konden best naar het gewone buurthuis. Alleen: dat deden ze niet. Het kostte zwaar gelobby, maar nu heeft de gemeente een half miljoen beschikbaar gesteld voor een heus Antillianencentrum, pal n st het wijkbureau in Almere-Buiten. De Veilige Vindplaats, gaat het heten. En de verbouwing is in volle gang. Wijkagent Ben van Berkum: 'Wij gaan aan de slag met de zware jongens uit de harde kern. En de welzijnsstichting met die groep eromheen. Die moeten taallessen krijgen, scholing, werk. Nu nog een stevige Antilliaan vinden die we erop kunnen zetten. Het liefst een vrouw.' Vier dagen later gonst het Almeerse district nog na van de Antilliaanse schietpartij. Was het 'kutnijd'? Een ordinaire onderlinge afrekening? Of gewoon een door drank en drugs uit de hand gelopen ruzie? Het onderzoek is, zoals dat heet, in volle gang. 'Ik kan,' zegt districtschef Jan Aandewiel, 'niet zeggen hoe dit afloopt. Wij leven op dit terrein redelijk bij de dag.' Op het Noordeinde surveilleert de politie sinds de schietpartij niet meer vanuit de wagen, maar 'op de voetjes'. En de chefs zijn te rade gegaan bij de schaarse Antillianen die het korps telt. Jan Ronda: 'Een Antilliaanse collega zei: jullie moeten nu op elk slakje zout leggen. Ze zei: die klanten hebben duidelijkheid nodig. Kijk, dat is kennis waar wij graag gebruik van maken.' |
| SOCIALE COHESIE DOOR ELMA
DRAYER EN MARGALITH KLEIJWEGT Almeerders houden nog wel van Almere - nóg wel POLITIE DOOR ELMA DRAYER BOUWEN DOOR JAAP HUISMAN NOOIT WITTE SOKKEN DOOR MARLIES LENSINK BURGEMEESTER OUWERKERK DOOR MARGALITH
KLEIJWEGT EN MAX VAN WEEZEL |