DOSSIER ALMERE - EEN TIJDSDOCUMENT 
BRON: VRIJ NEDERLAND 21-10-2000 NUMMER 42
 
Verpletterend gewoon
BOUWEN DOOR JAAP HUISMAN

De polderstad is de stad van de eengezinswoningen. Overzichtelijk, laag, groen en privé. Geen gekke cafés of bioscopen, maar de rust van de groentetuin en een veilige kinderspeelplaats. En dat is ook precies wat het wil zijn: Nederland op zijn allerbreedst.

De Maartstraat in de gloednieuwe Seizoenenbuurt (Almere-Buiten) verschilt hoegenaamd niet van de Septemberstraat of de Julistraat. Wie 's nachts in een dronken bui zijn huis in een van die straten probeert terug te vinden, hoeft niet vreemd op te kijken als hij in een verkeerde maand verzeilt. Right time, wrong place.
Als in een militaire slagorde rijen de straten en woonblokken zich aaneen, volgens het rijtjeshuisprincipe waar Nederland al een halve eeuw het patent op heeft. Het verschil met veertig jaar geleden is alleen dat de huizen er royaler uitzien, en met hun warmgele baksteen een gevecht leveren tegen de eenvormigheid. De flinke dakoverstekken zou je de enige vorm van versiering kunnen noemen.
De Seizoenenbuurt, door de kritiek uitgeroepen tot een strafkamp, was me aangeraden door Brans Stassen, stedenbouwkundige op de ruim bemande afdeling stedenbouw in het gemeentehuis te Almere-Stad. Hij stond over de plattegrond van de stad gebogen en had gezegd: dat moet je bekijken. Want de Seizoenenbuurt is wel even wat anders dan de Regenboogbuurt, die er pal tegenaan ligt. Spatten het ossenbloedrood, het koningsblauw en het zonnebloemgeel van de gevels in de Regenboogbuurt, de Seizoenenbuurt is daarbij vergeleken saai, zo saai dat het moeite kost om niet achter het stuur in slaap te vallen als je over de Eeuwenweg rijdt, die niet eens zo lang is maar eindeloos lijkt door de herhaling.
Waarom Stassen zo wegloopt met de Seizoenenbuurt? Omdat de wijk op den duur wel eens net zo geliefd zou kunnen worden als beroemde voorgangers zoals de Vogelwijk in Den Haag en Betondorp in Amsterdam, bij oplevering ook geen toonbeelden van spanning, maar door hun neutraliteit een solide basis voor latere waardering. Hoewel de Regenboogbuurt je ogenblikkelijk voor zich inneemt - alleen al de villa's met gele ronde torentjes aan de Chartreusestraat - werkt ze als een doos bonbons. De eerste glijdt moeiteloos naar binnen, de laatste bezorgt kiespijn en misselijkheid. Zowel de Regenboogbuurt als de Seizoenenbuurt moeten het hebben van de tijd. Het groen, dat in Almere weliger lijkt te tieren dan elders, kan de knaleffecten van de eerste buurt camoufleren en de monotonie van de tweede compenseren.
Dat is het probleem bij de beoordeling van Almere: het is altijd een momentopname. Elk jaar, ja zelfs elke maand is de stad weer anders.
Als iemand Almere heeft zien ontstaan, groeien en rijpen, dan is het wel Stassen. In 1976 kwam hij werken bij de gemeente in Almere-Stad, waarvan de bouw drie jaar later zou beginnen. De eerste Almeerders hadden zich gevestigd in Almere-Haven, in een onafzienbare polder waar het altijd leek te waaien en waar het gele koolzaad een duizelingwekkend panorama schilderde zodra je over de Hollandse Brug het nieuwe land inreed. Het land van de belofte.
Wie nu over diezelfde brug Flevoland binnenkomt, stuit op oude land-verschijnselen zoals de wegwerkzaamheden aan de A6 die maar niet ophouden, de flitsende bedrijfsgebouwen die de plaats van het koolzaad ingenomen hebben, en de skyline van Stad die nu echt power begint te krijgen. Hijskranen, vooralsnog. Hilariteit is er ook, zoals het bord met de afslag Almere-Buiten-West. Een 'en' extra en je was verzeild geraakt in een comateuze buitenwijk.
Polynucleair moest de nieuwe stad van Nederland worden, bepaalden de vaders en moeders die aan de wieg stonden van Almere. In gewoon Nederlands: een meerkernige stad. Drie van die kernen zijn bijna klaar: Haven, Stad en Buiten, terwijl op de tekentafel nog Poort, Hout en Pampus liggen.
Voor Poort is de grond bouwrijp gemaakt, Hout is nu nog een wit villawijkje in een heel groot bos, terwijl Pampus, in het westelijke puntje van Flevoland, uitsluitend op papier bestaat. Pampus besloeg in de eerste plannen het hele zuidwestelijke deel, totdat Den Haag besloot het beleid om te gooien. Het trefwoord 'nabijheid' werd vervangen door 'duurzaamheid'. Stassen: 'Den Haag zei tegen ons stedenbouwkundigen: stop alles maar in Almere-Poort en houd op met de ontwikkeling van Buiten. Wij schrokken ons te pletter. Toch mochten we Buiten gewoon afbouwen. We hadden Poort voor het laatst willen bewaren, omdat dat de mooiste plek bij de entree van de polder is.'
De lekkernij wordt nu toch verorberd. Poort, het visitekaartje van de nieuwe stad, krijgt een eigen karakter, veel meer gestapeld dan in de rest van Almere, en met een menging van bedrijven en woningen. Het sportcomplex Omniworld vormt de kern van Almere-Poort, een sport- en leisurecentrum waarvan ook een voetbalstadion deel uitmaakt. Betaald voetbal, is de nadrukkelijke wens op het stadhuis. Als dat een feit is, inclusief de hooligans die het met zich meebrengt, weten we zeker dat Almere volwassen is.
Stassen maakt zich over de onstuimige groei van de stad nu toch wel zorgen. 'Als iemand hier nog een scholengemeenschap wil bouwen, breekt er paniek uit, want er is nergens plek meer. In de parkennota worden de parken beschreven op grond van hun variëteit. Diversiteit is heilig verklaard. Dat moet ook wel, anders bouwen we die gebieden ook nog vol. Als we niet oppassen hebben we binnenkort te weinig groen.' Het is de ironie van een stad die in de polder leek te zwemmen. Er vindt dan ook een inversie plaats, stelt Stassen vast. Vroeger waren het kernen die in een grote lege polder lagen, nu wordt Almere een grote stad waarin hier en daar een plas en een park liggen. Van een groene polder met rode vlekken is Almere veranderd in een rode polder met groene vlekken.
Almere-Stad kan geen kant uit meer uit, ingesnoerd als het is door snelwegen en spoorlijn. Hoe anders is dan Almere-Haven, waar het Gooimeer nog ruimte biedt voor woontorens in het water en het bos potentiële villabewoners lokt die in het Gooi niet terecht kunnen.
Een lange bebouwde band langs de spoorlijn Almere-Poort-Lelystad, dat is het beeld dat nu al ontstaat.
Gelukkig maar, zeggen de meesten, dat in een vroeg stadium is besloten om het hart van Almere nat te maken. Het Weerwater ligt als een blauwe buffer tussen de stadskernen. De ontwerpers ervan, stedenbouwkundige Teun Koolhaas en landschapsarchitect Alle Hosper, werden voor gek verklaard toen ze halverwege de jaren zeventig met dat plan op de proppen kwamen. Was er net een stuk IJsselmeer ingepolderd, werd er vervolgens doodleuk een stuk land aan het water teruggegeven.
Zeker nu de stad vorm begint te krijgen, kun je blij zijn met die omstreden beslissing van 1976. Het Weerwater is een nauwelijks vertoond staaltje stedenbouw (waar in Nederland vind je een meer middenin de stad?), dat het silhouet van Almere sterker maakt en ook nog in recreatieve behoeften voorziet.
Dat de plas ontsierd wordt door hoogspanningsmasten is ook een wond die zich door de tijd laat helen. Die masten pasten bij de schaal van de plas, toen de omgeving nog groen en leeg was. Nu de oevers bebouwd worden, met woontorens en een stadstheater, lijken ze te krimpen. Het is nu geen discussie meer, zegt Stassen, of we de eilanden met de masten moeten laten verdwijnen.

Er is een zeer Nederlandse stad gebouwd, schreef H.J. Hofland in 1994 toen net de honderdduizendste bewoner was begroet. 'De Nederlandse stadsmens onderscheidt zich van de meeste buitenlandse soortgenoten door zijn behoefte aan overzichtelijkheid in een eigen territorium en de directe omgeving. Hij wil zich ruimtelijk kunnen identificeren, zijn grenzen kunnen overzien: hij wil weten wat hij onder zijn beheer heeft. Vandaar zijn instinctieve afkeer van stadsconglomeraten waar hoogbouw domineert.' Woonkazernes en woontorens, concludeert Hofland, zul je in Nederland daarom nauwelijks vinden, terwijl ze in Berlijn of Parijs geaccepteerd zijn.
Welke kritiek je op Almere ook kunt hebben, zij smoort in de gedachte dat dit dus de geïdealiseerde habitat is voor de gemiddelde Nederlander. Overzichtelijk, laag, ruim, groen en privé. Almere, zegt Stassen, zal nooit dat voorzieningenniveau krijgen wat Amsterdam heeft, met alleen al veertig bioscopen.
Maar mensen komen hier ook niet voor de bioscoop. Ze willen rust en privacy, een groentetuin en een veilige speelplaats voor hun kinderen. De belangstelling voor eengezinswoningen is ontelbare malen groter dan die voor gestapeld wonen: tachtig procent wordt er van de eerste categorie gebouwd tegenover 17,5 procent hoogbouw. Almere-Poort zal die verhouding iets corrigeren, maar dan nog. Voor hoogbouw en vertier zoek je Amsterdam op, voor een huis met een tuin Almere.
Stassen herinnert zich nog hoe de directeur van de rijksdienst, dr. W.M. Otto in de jaren zeventig de nieuwe stad aan Nederland wilde verkopen. Zijn formule luidde: bouw eengezinswoningen, dan komen mensen op hun knieën om te vragen of ze in de polder mogen wonen.
In die tijd was genoeg twijfel bij de overheidsbestuurders of die satellieten in het nieuwe land wel levensvatbaar waren. Zelfs toen Haven al goed en wel gebouwd was en Stad moest worden aangeprezen, waren er makelaars die het woord Almere-Stad niet in de advertentietekst durfden op te nemen. Stad werd geassocieerd met verdichting. Ze volstonden met de naam van de straat en een tekening, die een ruime, schone en veilige stad schilderde, kortom alles wat Amsterdam níét kon bieden.
De overloop van Amsterdam naar Almere is sterk verminderd. De stad trekt nu ook bewoners uit andere delen van het land. De eerste blokken bij het Weerwater zijn gesloopt, een paar haveloze hat-eenheden bij het centrum samengevoegd om verdere verpaupering te voorkomen, allemaal tekenen dat Almere een normale stad is geworden.
Een stad in wording gaat er al vlug uitzien als een wat groot uitgevallen verzameling nieuwbouwwijken, schreef Hofland. 'Eenmaal bewoond verwerven ze een onovertrefbare gewoonheid.' Dat is het lot van de Nederlandse stad, dat ze nimmer de verticale skyline zal krijgen van de Amerikaanse stad, omdat onze referentie de horizon en het water is. Hoog, dat zijn de populieren die boven de dakrand uitgroeien.
Almere-Haven heeft dat ondervonden. Het stadsdeel was zo dichtbegroeid geraakt, dat de bewoners begonnen te klagen over het 'sombere wonen in het groen'. En de parken hebben voor de tweede keer de snoeischaar mogen meemaken.
Zouden de stedenbouwkundigen nu nog kiezen voor een meerkernige stad, die misschien het gevaar heeft dat stadsdelen in getto's veranderen als ze te eenzijdig zijn opgebouwd?
De wijken zullen aan elkaar vastgroeien, dat gebeurt gewoon, zegt Stassen. Als de hoofdmoot uit sociale woningbouw bestaat, heb je een risico, vandaar dat het roer tien jaar geleden radicaal is omgegooid. Meer koopwoningen, dure appartementen. Er is van meet af aan gestreefd naar een mengeling van welstandsklassen. 'Kinderen van villabewoners en sociale woningbouw zitten op dezelfde school, dat hebben we in de hele stad volgehouden.' Hij wijst op de luxueuze wijk Noorderplassen, waar de bewoners hun jacht voor de deur hebben aangemeerd. Hun kinderen zullen toch de weg over moeten naar de school in de achtergelegen Kruidenwijk, waar ze in contact komen met leeftijdgenoten uit andere inkomensklassen.
Die nivellering zit ingebakken in de structuur van Almere, meegeholpen door de busbaan die de wijken als een groengrijs lint aan elkaar koppelt. Het succes van die busbaan hing af van de afstand die de reizigers van hun woning naar de halte moeten lopen. Vijf minuten maximaal was berekend, alleen dan kon het concept werken. En zo kon Almere uitgroeien tot de tweede openbaarvervoersstad van Nederland - na Leiden - met een comfortabel en snel netwerk.
Vervoerstechnisch mag het winst zijn, de bus heeft de auto niet kunnen wegpesten en stedenbouwkundig maakt de busbaan Almere platter dan nodig is. Wijken, hoe verschillend ook, worden door dit systeem gelijkgeschakeld. Een trage beweging door oneindig laagland, om Marsman te parafraseren.

Hoe jong ook de geschiedenis van Almere, er ís geschiedenis. De modes in de stedenbouw zijn erin af te lezen. Van het kneuterige woonervenpatroon, typisch een product van de jaren zeventig dat ten grondslag lag aan Almere-Haven, via Almere-Stad dat zich daar weer tegen afzette en een mengeling laat zien van strenge kwadranten in het centrum maar ook buurtjes (in Stedenwijk) tot Almere-Buiten dat volgens de richtlijnen van Hosper de slotenstructuur van de polder als uitgangspunt moest krijgen.
Almere-Buiten zou je nuchtere Hollandse stedenbouw kunnen noemen, met duidelijke straten en afgebakende parken. Haven, zegt Stassen, zouden we zo niet meer maken, dat is zeer desoriënterend. Het is hetzelfde bezwaar dat aan Zoetermeer kleeft. Vind maar eens de weg in bebouwde bloemenweien met de namen Madelief en Boterbloem.
Rem Koolhaas mag het karwei afmaken, niet door het centrum te slopen en te herbouwen, maar door het resterende lege deel smoel te geven. In de slip stream van Koolhaas zijn tal van internationale architectuursterren in Almere neergestreken: Christian de Portzamparc uit Parijs, Kazuyo Sejima uit Tokio, William Alsop uit Londen - om maar te zwijgen van het leger Nederlandse top architecten, zoals MVRDV, Benthem Crouwel en Claus en Kaan. Zelfs Jan des Bouvrie heeft een paar hofjes met klassieke villa's mogen bouwen, als bewijs dat hij meer kan dan stofferen.
Een slimme zet. Waar de stad zich aanvankelijk binnenslands moeizaam liet veroveren, is het ineens een begrip in de wereld geworden, voer voor architectuurstudenten. De ambitie dwingt bewondering af, de goede bedoelingen spatten van het papier. Toch maakt zich een lichte weemoedigheid van je meester als je door Tussen de Vaarten wandelt (van landschapsarchitect Adriaan Geuze): mooie, rustige buurt. Keurige architectuur. Zoals bijna overal in Almere. Voortuintjes met kabouters en klinkerpatronen, achtertuinen met Gamma-schuttingen. Zou je drie dagen door de stad lopen, je zou het niet kunnen navertellen. Er was niks ontregelends, geen gekkigheid, geen obscuur café midden in een woonwijk en de experimenten als de Fantasie en de Realiteit zijn ook al in een kampje samengebald.
Almere is zo verpletterend gewoon dat je wel moet denken dat alle bijzonderheden en afwijkingen chter de gevel plaatsvinden. En anders luidt de conclusie: dit is Nederland, niet op zijn smalst, maar op zijn allerbreedst.
 
SOCIALE COHESIE DOOR ELMA DRAYER EN MARGALITH KLEIJWEGT
Almeerders houden nog wel van Almere - nóg wel

POLITIE DOOR ELMA DRAYER
De zwarte zijde van het walhalla

BOUWEN DOOR JAAP HUISMAN
Verpletterend gewoon

NOOIT WITTE SOKKEN DOOR MARLIES LENSINK
Tof studeren in de polder

BURGEMEESTER OUWERKERK DOOR MARGALITH KLEIJWEGT EN MAX VAN WEEZEL
'Ik word regelmatig zakkenvuller genoemd in plaats van burgemeester'